wuifde hij alle goede raad weg, pochte dat hij hel noch Grote Jacht vreesde en dat hij pas rond elf uur 's nachts naar his zou gaan. En zo gebeurde. Hij besteeg de lange helling langs de Ruisseau de Bohan en kwam zo omstreeks middernacht uit bij de Fargne. En ja, daar hoorde hij opeens het geschal van de jachthoorns en het geblaf van de honden. Onmiddelijk daarop verscheen een massa jachthonden gevolgd door ruiters, hoog gezeten op rijdieren die door hun neusgaten vlammen uitademden. In het midden van de bende reed de slechteheer. Hij was niet méér dan een oud kadaver, maar het vuur sprong uit zijn oogkassen. De snoever uit Sugny wierp zich plat ter aarde en hief alleen nog even het hoofd op om te kijken naar het helse spektakel. Zodra de Grote jacht verdwenen was, krabelde hij op, meer dood dan levend en bevend over zijn hele lichaam. Op slag waren zijn haren wit als sneeuw geworden. In zo'n deerlijke toestand arriveerde hij in Sugny. Zijn dagen waren geteld..... .
|